Gegevens uit “La
Bibliothèque Nationale” te Parijs door dhr. J.E.J. Jurry
Er bestaan zeer weinig documenten over deze familie,
tenminste wat de bovenstaande spelling betreft. In het kabinet der
geslachtsnamen is geen dossier Bedet aanwezig. Indien de eerste Bedet
in Nederland (Oost Zeeuws Vlaanderen) in 1694 bekend was, ligt het voor de hand
dat deze een Franse Protestantse refugé (Hugenoot) was. Men is daarom met het
onderzoek in die richting begonnen.
Onderstaand het resumé der gegevens die men vond in:
- Eugéne
en Emile Haag “Het Franse Protestantisme” 2e editie, deel
2.
Paris 1879, in-8 (Cassier R. 172) klommen 189-196 (4 pagina’s)
- Jacques
Bedey, die men ook onder de namen Bedès, Bedez en Bedet
tegenkomt, was een predikant uit Cevennen, die zijn ambt uitoefende
te St. Jean du Card, 1644-1666 en te Gros
tot 1678. In de tijd voor de ontzetting uit het ambt, was hij onder de
refugés van Nîmes bekend. De registers van de openbare bijstand van
Laussane maken van het volgende gewag, de 22 augs 1690, de weduwe
van predikant Bedet, refugé overleden te Laussane, als
debetrice van een klein legaat van elf ponden, dat men haar
kwijtgescholden heeft, uit een oogpunt van behoeftige omstandigheden,
waarin zij verkeerde. Een latere inschrijving in het overlijdensregister
van Laussane geeft aan, dat de weduwe van monsieur Bedét,
predikant van Cros in de Cevennen, begraven
26 januari 1691.
- Jean
Bedé, heer van Gormandière in Anjou, geboren in 1563, voltooid
zijn studie te Genève, waar hij zich op 09 juni 1584 liet
inschrijven. Bij zijn terugkomst verkreeg hij de positie van advcaat bij
het gemeentebestuur van Parijs en was hij in 1596 ouderling van de
Reformatorische Kerk van die stad. Door zijn geloofsgenoten te Parijs
werd hij als afgevaardigde gezonden naar de bijeenkomsten te Loudun,
Châtellerault en Gergeau, 1596-1608; overleden te Parijs
15 juli 1648.
Hij huwde Marie d’Ailleboust (waarvan men de naam ook Dailliboer
schreef), dochter van een geneesheer van de koning.
Uit dit huwelijk veel kinderen, namelijk;
- Elie, geboren in 1599
- David, geboren in 1600
- Alexandre, geboren in 1610, advocaat, overleden in 1637
- Henri, geboren in 1618
- Isaäc, advocaat, huwde in 1629 Marie de Piédefer, uit dit
huwelijk een zoon Jacques, advocaat van de Franse regering
De oudste, Elie Bedé, heer van Fourgerais werd geneesheer en
Docter Regent, d.w.z. professor aan de medische faculteit te Parijs,
met een klein aantal collega’s, zoals hij protestant, steunde hij de
vrijheid van godsdienst in het milieu van het officiele medische corps. Elie
Bedé huwde in april 1627 Marie Androuèt de Cerçeau,
dochter van de architect Jaques Androuèt du Cerçeau.
Uit dit huwelijk;
- Elie, geboren 1627
- David geboren 1629
- Anne, geboren 1630
- Charles, geboren 1633
- Louise, geboren 1634
- Daviet, geboren 1636
- Jean, geboren 1639
- Henri, geboren 1642 (Peter: Henri de la Tour, Burggraaf
van Turenne en Roch, 1647)
De na Elie geboren broer, Dauie (David) Bedé, heer van
Loiselière werd advocaat in de regering van Parijs. Hij huwde
in 1627 Marie le Ber en had uit dit huwelijk;
- Henri, geboren 1627
- Olympe, geboren 1628, vrouw van Auguste Hardy, heer van
la Fosse
- Samuel, geboren 1629, heer van Loiselière
- Jean, geboren in 1633
- Benjamin, geboren 1634, heer van Longcourt, advocaat bij
de regering van Parijs, in 1669 gehuwd met Catherine Combel.
David overleed in 1667 en zijn vrouw in 1675 in de leeftijd van 67
jaar. Hun kinderen ondervonden en hadden te lijden van de ellende van de
toen heersende Godsdiensttwisten. In het jaar 1679 woonde te Londen,
Samuel Bedé de Loiselière, Benjamin de Longcourt
en hun zuster, toen weduwe Abel Bedé de Loudun, na
in 1588 te Genève te hebben gestudeerd, van 1588 tot 1595 te Heidelberg,
was in 1691 predikant van zijn geboortestad.
Opm. J.
Bedet: Hier lijken een aantal personen
te worden verward, Het was Elie’s vader Jean Bedé (geb. 1563), welke in Genève studeerde
vanaf 1584.
- In
de registers van de openbare onderstand te Londen komen voor;
- 1705 Jacques Bedée dex Aunais, oud 37 jaar, en Magdalaine Bedé de Lestang
oud 40 jaar, beide van Loudun
- Olivier Bedé, heer van Anganry en zijn vrouw Elisabeth de Louvigny,
lieten in april 1630 in de Tempel van Sharenton hun zoon Henri
dopen en in juni 1633 hun zoon Pierre René Bedé van origine uit Anjou
heeft in Zwitserland en te Heidelberg gestudeerd. In 1596 is
hij als predikant beroepen door de kerk van Nîmes en in 1598 door
die van Blois. Zijn zoon René Bedé werd in 1617 predikant te
Issoudun.
- In
het Amorial Général d’Hozier van 1696 komt men één inschrijving van
en geslachtswapen Bedet tegen, dat van de vrouw van Pierre Bedey;
onderstaand, exacte heraldische gegevens van dat wapen:
- Armorial
Général de 1696. Register: Bourgondië II pagina 503 no 256.
Inschrijving gedaan bij het Gemeentehuis te Dijon. Gehomologeerd
op 20 december 1703 op voorschrift van de Commissarissen van de
gemeente Dijon; Marguerite le Clerc, vrouw van Pierre
Bedey, raadsman van de koning, auditeur van de Rekenkamer van
Bourgondië, diende het verzoek namens haar man in.
- Schild goud met daarin vier horizontale rode balken.
- Men
vondt ook een spoor van een kunstschilder Bedet, namelijk in Savoye.
Slechts bekend door een schilderij uit 1619.
Gedenkschriften en documenten gepubliceerd door het Savoyese
genootschap van Historie en Archéologie. Deel 12-1870 (8e L
C 19.55). De schilders en de schilderijen in Savoye van de 13e
tot de 19e eeuw door Auguste Dufour en François Rabut,
pagina 169; J. Bedet (Jean of Joseph) volgens het schilderij. Een
schilderij die op verzoek en met toestemming van de domheren van Chanbéri
geplaatst is in het koor met de winterse uitbeelding van de kerken Notre Dame des Sept-Douleurs,
Saint Dominique en Sainte Thérèse, met er naast
twee geknielde kinderen aan iedere zijde van het schilderij, in de kleding
van die tijd, heeft onderstaande woorden en datum;
J. Bedet
Faciebat
1619
- Wat Lugny
betreft, en enquête gedaan bij de archieven van Saône et Loire te Maçon
heeft naar voren gebracht dat bij die archieven te Maçon aanwezig
is, de Burgerlijke Stand van de parochie Lugny vanaf 1633, een
register van 1633-1674, daarna een van 1679-1699 enz.; d.w.z. er bestaat
zonder twijvel de mogelijkheid de affiliatie Bedet veel verder
terug na te gaan dan Julien Bedet, zoon van Antoine Bedet en
van Claude Cuionet, gedoopt 04 juni 1688 te Lugny; de
onderzoekingen in die registers kunnen slechts te Maçon zelf
geschieden.
Er blijft echter nog over vast te stellen of de Bedet’s in Nederland
(Oost Zeeuws Vlaanderen) werkelijk van origine van Lugny
afkomstig zijn!
Het is inderdaad merkwaardig met vast te stellen dat al in de 15e
eeuw een familie met de naam Bedet in Belgisch West Vlaanderen
voorkwam.
- Edmond
Marchal. “De beeldhouwkunst en de meesterwerken van de Belgische
goudsmeedkunst”, Brussel 1895 (4o. V 5388)
- pagina’s
185-186 geven aan:
Jean Bedel of Bedet, imager te Doornik ontving in
1491, 70 stuivers voor te hebben uitgebeeld, gemaakt en gestalte te
hebben gegeven en te hebben geleverd een groot van een kroon voorzien
schild met het wapen van Frankrijk, afgezet door een steenen lijst
waarin gebeeldhouwde rozen en waaronder de datum is gegrift wanneer het
schild is gemaakt, volgens de tekeningen van de fortificaties is het
schild aangebracht en bevestigd in de muur bij de poort van Bruille.
Dezelfde beeldhouwer maakte in 1494 voor Jean de la Chapelle,
kannunik van Kamerijk een grafmonument waarop de overledene was
afgebeeld met de beeltenis van na zijn overlijden, overeenkomstig het
gebruik dat begon door te breken in die tijd van de cadance der gothiek,
voor een grafsteen van zwart marmer waarop een figuur van een overledene
gebeeldhouwd, liggende op een mat, gemaakt te Doornik, zoals
aangegeven door de archiefregisters van de uitvoering van testamenten.
Hij maakte ook in 1503 de marmeren grafzerk van Balthazar Gargatte
van Doornik, waarvan de prijs 48 stuivers en 9 zilverlingen en in
1507 die van de kannunik Gieles de Nettelet, waarvan de prijs was
150 ponden. Hij werkte in datzelfde jaar voor het Weduwenhuis in
de Bèvestraat, waarvan de ontvanger was Philippe Truffin,
een der voornaamste schilders van Doornik. In de
boedelbeschrijving van Catharine de le Guste (1565) komt voor een Pierre
Bedet, blijkbaar een zoon van Jean, die 4 ponden en 5 stuivers
ontving voor een grafzerk gemaakt en geplaatst op het graf van voornoemde
overledene in de kerk Saint Pierre te Doornik.
- Pagina
406:
Anselme Bedet, afstammeling van Jean Bedet (zie pagina 185) ontving in 1608, 102 ponden voor een grafzerk met
grote kunstzin en versiering gebeeldhoud, bestemd voor het graf van de
overleden Jehan de la
Chapelle te Doornik; in 1613, 46 ponden voor een grafzerk bestemd voor het graf van Jeromê Dennetières, in 1621, 15 ponden voor een kleinde
grafzerk op het graf van Jean
Deffarvaques.
Pierre Bedet, roquetier, blijkbaar zijn zoon,
ontving in 1629 72 ponden voor een grafzerk van 7 voet lengte en 4 voet
in de breedte met daarin gegraveerd de 8 kwartieren van Marguerite de Caroubbe, burggravin van Roulers. Er werd betaald an Petre
(Pierre) Bedet in 1565, 4
ponden en 5 stuivers voor een grafzerk gemaakt en geplaatst op het graf
van Catharine de le Guste.